St. Interparochiële Schola Cantorum Arnhem e.o.

Overweging Roepingenzondag

CARISSIMI, BROEDERS EN ZUSTERS, VRIENDEN EN GASTEN IN DEZE KAPEL,

Wij vieren vandaag de zondag van de Goede Herder, de vierde zondag van Pasen ofwel Roepingenzondag, zoals die werd ingesteld door Paus Paulus VI in 1964. In de homilie of preek mag er aan dat thema aandacht besteed worden: roeping. Er is een sterke terugloop in het aantal mensen dat zich geroepen wil weten tot het religieuze leven en het gewijde ambt. Er is parallel daaraan ook een duidelijke terugloop in het aantal roepingen tot het dienstwerk als kerk-musicus, dat wil zeggen het professioneel leiding geven aan het ten gehore doen brengen van de kerkelijke gezangen door middel van de stem (in een schola of een al dan niet gemengd koor) of het orgel, het liturgische instrument bij uitstek. In herinnering mag geroepen worden dat de eerste Constitutie van het Tweede Vaticaans Concilie, nu vijftig jaar geleden, betrekking had op de Heilige Liturgie, en dat zelfs een heel hoofdstuk daarin werd gewijd aan de kerkmuziek. Er zijn er onder u, waaronder zeker Magister Cantus Boogaarts, die de tekst van dat hoofdstuk kunnen dromen. Enkele zinnen daaruit ter inleiding:
“De muzikale traditie van de universele kerk heeft een schat geschapen van onberekenbare waarde, die de andere kunstscheppingen te boven gaat, met name doordat de gewijde melodieën aan de woorden gebonden zijn en zo een noodzakelijk of integrerend bestanddeel van de plechtige eredienst vormen.” “…De Kerk erkent de gregoriaanse zang als eigen aan de romeinse liturgie…” “Het pijporgel moet in de latijnse kerk hoog in ere worden gehouden als het traditionele muziekinstrument dat door zijn klank een bijzondere luister kan geven aan de ceremonies van de Kerk en de harten hevig kan opstuwen naar God en de dingen van boven.” Wij kennen in deze kapel sinds Pasen twéé van dergelijke instrumenten, als een uitnodiging tot verdubbeling van de devotie!! En vervolgens spreken de Vaders van het Concilie, dat werd bijeengeroepen door de heilige paus Johannes XXIII, over het thema roeping: “Wanneer de toonkunstenaars vervuld zijn van de geest van het christendom, mogen zij beseffen, dat het hun roeping is de kerkmuziek te beoefenen en haar rijkdom te vermeerderen.” Zij worden uitgenodigd tot componeren, opdat de actieve participatie van de gelovigen bevorderd zal worden. (Uit hoofdstuk VI)


Laten we nu kort de vraag beschouwen, of de Goede Herder uit het Evangelie van Johannes, de Naam van de Dienaar en onze Heer Jezus Christus, die in het Alleluiavers werd bezongen: “Ego sum Pastor Bonus”, als een Magister of een Dirigent van zijn schapen valt te herkennen. Deze beschouwing wil uitnodiging zijn onze eigen roeping als gedoopte, als een ‘schaap in de kudde van de Goede Herder, ’ in het perspectief te zien van de houding die Jezus als dé Leraar eigen was, namelijk die van de dienstbaarheid in deemoed. Dat het hier gaat om een duiding van evangelische metaforen, blijkt uit de taal van Johannes: Jezus sprak in de vorm van een gelijkenis. Als een caveat, een waarschuwing vooraf, staat er uitdrukkelijk:“maar zij begrepen niet, wat het was, dat hij hen wilde zeggen.”
Deze tussenzin, als een refrein bij de verborgen melodie van het Johannesevan-gelie, is in zekere zin de hermeneutische sleutel tot het verstaan van de gehele blijde boodschap die ons daar wordt verkondigd. Jezus spreekt én hij handelt in beelden, die de leerlingen niet begrijpen. Zo zegt Hij in zijn afscheidsrede tot de leerlingen: “In beelden heb ik tot u gesproken; er komt een uur dat ik niet meer in beelden tot u zal spreken.” Na de voetwassing, op de laatste avond van zijn leven, stelt Hij aan zijn leerlingen de retorische vraag: “Begrijpen jullie wat ik aan jullie gedaan heb?” Hij spreekt ze aan als Leraar (‘Magister’) en Heer en nodigt ze uit te doen zoals Hij het heeft voorgedaan. Gelukkig zij, die doen wat hij heeft vóórgedaan. Maar écht begrijpen doen de leerlingen het allemaal niet, en ook wij niet. Kort samengevat: wie zégt dat hij het begrijpt, pleegt eigenlijk al verraad aan de bedoelde betekenis. Want niemand kan zómaar dienaar zijn zoals de Leraar en Heer het ons heeft voorgedaan. Het eigenlijke begrijpen is als een niet-weten dat zich verbergt in de Stilte. Vandaar het eminente belang van de stilte in de liturgie en de stilte in de muziek. Met twee citaten , met een metafoor, uit het essay “La musique et l’Ineffable” van Vladimir Jankélévitch:
“Die diepe stilte, waarop het leven drijft zoals op een vlot, is wat de menselijke geluiden zo onbestendig en het betoverde eiland van de kunst zo kostbaar maakt. De dichtkunst is een sonoor eiland in de oceaan van het proza. Of met andere beelden gezegd: de levende oase van de muziek en van de poëzie lijkt verloren in het sprakeloze, in de immense woestijn van het prozaïsche bestaan. (blz.187). En even verder schrijft hij: “Zingen stelt ons vrij van het spreken en is een manier van zwijgen. Federico Mompou geeft aan een suite van negen kleine deeltjes muziek de titel Musica callada. We zouden het een suite van negen stiltes kunnen noemen, waarin de componist de ‘soledad sonora’ (de sonore eenzaamheid) van de Heilige Juan de la Cruz laat zingen. Het is in de stilte dat zich de muziek verheft als een goddelijke muziek. (p.194).” Maar zelfs al is het dienstwerk van de Schola Cantorum uit Arnhem hier in deze kapel als het ware voortgevloeid uit het lofwaardige initiatief van de stichters van de Sint Eusebiusacademie, ook deze homilie is geen lezing en dwingt daarom tot een strenge beperking in deze uitweidingen.
Laten we daarom eerst luisteren naar fragmenten van een preek van bisschop Augustinus over de Goede Herder (Sermo 137). In die preek verbindt hij Jezus en Petrus en citeert de metaforen van de herder en de deur als verwijzingen naar het lichaam van de Kerk. Eigenlijk is het een lofzang op de liefde tussen Leraar en Leerling; een lofzang op het onuitsprekelijke Mysterie van de Liefde dat ons hier ook op deze zondag heeft samengebracht, en dat wij telkens weer mogen vieren in woorden, handelingen, zang, muziek én in Stilte. En vooral is het een lofzang op de deemoed, de humilitas.
“Toen de Heer daarnet sprak, zei Hij dat Hij de herder was. Ook zei Hij dat Hij de deur was. Beide dingen hebt u gehoord. “Ik ben de deur” en “Ik ben de herder.” Als Hoofd is Hij de deur, als lichaam de herder. Want Hij zegt tegen Petrus – alleen hem laat Hij de Kerk vertegenwoordigen-: “Petrus, houd je van Mij?”. Die antwoordt: “Ja Heer, ik houd van U.” En Jezus:” Weid mijn schapen.” Ja, driemaal vraagt Hij: ”Petrus, houd je van Mij?”. Petrus werd verdrietig omdat Hij het hem voor de derde keer vroeg.(…) De Heer kende Petrus allang. Hij kende hem al toen Petrus zichzelf niet kende. Want die kende zichzelf niet toen hij zei: “Ik blijf bij U tot in de dood.” Hij wist niet hoe zwak hij was. Tja , dat overkomt zwakke mensen inderdaad regelmatig: een zieke weet niet wat er met hem aan de hand is. De dokter weet het wel. Terwijl de zieke het is die de kwaal heeft, de dokter niet. De dokter kan beter zeggen wat de ander mankeert dan de zieke zelf. Petrus was destijds de zieke, de Heer de dokter (Dominus autem medicus). De een zei dat hij sterk was, maar dat was hij niet. De ander voelde de pols van zijn hart en zei dat hij hem driemaal zou ver-loochenen. Er gebeurde wat de dokter had voorspeld, en niet wat de zieke had verondersteld. (…) Daarom vroeg de Heer met klem aan Petrus: “Petrus, houd je van Mij?” Het was of Hij vroeg: wat zul je Mij geven, wat zul je voor Mij doen? Je houdt toch van Mij? Ja, wat zou Petrus nog kunnen doen voor zijn Heer, verrezen en wel, ten hemel gestegen en zittend aan de rechterhand van de Vader? Het was alsof Hij zei: “Dit zul je Mij geven, dit zul je voor Mij doen als je van Mij houdt: je zult mijn schapen hoeden. Jij zult door de deur naar binnen gaan en niet ergens anders naar binnen klimmen.” Toen het evangelie werd voorgelezen hebt u het gehoord:” Wie door de deur naar binnen komt is de herder. Wie ergens anders naar binnen klimt is een dief en een rover. (…) Wie komt binnen door de deur? Hij die binnenkomt door Christus. Wie is dat dan? Hij die het lijden van Christus navolgt en de nederigheid van Christus erkent.” (Qui imitatur passionem Christi, qui cognoscit humilitatem Christi). Tot zover bisschop Augustinus over de herder. Nu over de schapen, die zoeken naar hun herder, als verdwaalden in de woestijn, die uitzien naar het uur dat de deur door de deurwachter wordt opengedaan en de goede herder binnentreedt.
“De schapen luisteren naar zijn stem; hij roept zijn schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten. En als hij al zijn schapen naar buiten heeft gebracht, trekt hij voor hen uit, terwijl zij hem volgen, omdat zij zijn stem kennen.” (Joh 10,3.4)
Dit is als mystieke poëzie in het evangelie van Johannes. Alles draait om het Geheim van de Stem. Een stem herkennen, de adem die klankkleur krijgt, de trillende beweging, fluisterend of zingend met de verschillende registers, de theorie erover dreigt zich soms te verslikken in het denken te wéten, alsof het meten dit wéten is…maar de eigen stem, de Stem van de Herder en Leraar, én de stem van de volgende leerling, als het schaap, ligt als besloten in het eigene van de N/naam. De naam kennen is de identiteit kennen. Weten wie het is die roept, door het horen van de stem die de eigen naam roept, is als naar buiten geroepen worden, buiten zichzelf geroepen worden. Exagei/educit…wij horen de roep van de Exodus, de Uittocht. Wie de Stem van de Goede Herder hoort en goed luistert hoe zijn eigen naam geroepen wordt, begint de Uittocht naar de horizon die buiten zichzelf ligt. Uit-jezelf weggetrokken worden en toch die uittocht herkennen als behorend bij je eigen naam, zoiets zal je ‘roeping’ zijn. Eenmaal naar buiten gebracht, blijft de uitnodiging om te volgen, als navolging, omdat je die Ene Stem hebt herkend te midden van de vele stemmen. De Goede Herder is als de Magister, de dirigent, die zijn schapen aan zich weet te binden, niet omdat hij ze aan een leidsel heeft, maar omdat zij zich hérkend weten in de uniekheid van hun eigen stem. Géén slavenkoor…maar Schola ! …ad maiorem Dei gloriam. Wie de schapen wegleidt uit hun eigen identiteit is als een dief en een rover. De ware deur, de ware toegang tot de mens, die zich in en door zijn stem als het ware blootgeeft – Petrus gaf zijn eigen identiteit bloot door zijn spraak, zegt het verhaal over zijn verloochening in de passie volgens Matteus; vandaag horen we hoe Petrus zijn stem verhief op de dag van Pinksteren “levavit vocem suam” – ….de ware deur tot wie wij zijn, is de deemoed van de Goede Herder. Wie zich omkeert tot de deemoedige Christus, onze eerste roeping als gedoopten, zal de gave van de heilige Geest ontvangen.
“Ik ben de deur, zegt de Heer. Als iemand door Mij binnengaat, zal hij worden gered, hij zal in-en uitgaan en weide vinden….Ik ben gekomen, opdat zij leven zouden bezitten, en wel in overvloed.” (ut vitam abundantius habeant). (Joh 10,7.10)
Het is niet moeilijk om in deze slotzin de inhoudelijke toonzetting van psalm 23 te herkennen, de psalm over de Goede Herder: “De Heer is mijn herder, mij zal niets ontbreken. Hij wijst mij te liggen in grazige weiden, hij voert mij naar wateren der rust…Zo zijn dan geluk en genade om mijn schreden al de dagen mijns levens. Verblijven mag ik in het huis van de Heer tot in lengte van dagen.”
De psalmist beseft in psalm 90,10 dat “de dagen van onze jaren zeventig jaren omvatten, voor de krachtigsten tachtig jaren.” En hij bidt vervolgens: “Leer ons zó onze dagen te tellen dat ons wijsheid des harten gewordt.” (Ps 90,12). Wie deze wijsheid op tijd weet te smaken, moge altijd leven in overvloed vinden.
Of om het tenslotte met de woorden van Petrus uit zijn brief samen te vatten:
“Carissimi, Dierbaren, Geduldig verdragen wat gij te lijden hebt om uw goede daden, dat is het wat God behaagt. Het is ook uw roeping, want Christus heeft voor u geleden en u een voorbeeld (exemplum) nagelaten; gij moet in zijn voet-stappen treden…Want gij waart verdwaald als schapen, maar nu zijt ge bekeerd tot de herder en behoeder van uw zielen.” (1 Petr 2,20.21.25). Amen.
 

Schaarsbergen, Christus Koning Kapel, Roepingenzondag 11 mei 2014
pater dr Frans Vervooren ocd