Lectionarium

DAGELIJKS EVANGELIE
  • Donderdag 30 Juni : Uit de profeet Amos 7,10-17.
    In die dagen stuurde Amasja, de priester van Betel, aan Jerobeam, de koning van Israël, deze boodschap: “Binnen uw eigen Israël smeedt Amos een complot tegen u; het land is tegen al die dreigementen van hem niet bestand. Want hij, Amos, zegt: Jerobeam zal sterven door het zwaard en Israël wordt van zijn eigen grond verbannen.” En tot Amos zei Amasja: “Ziener, gij moet maken dat ge wegkomt! Verdwijn naar Juda en verdien daar uw brood maar met profeteren! Hier in Betel moogt ge niet meer profeteren, want dit heiligdom is van de koning en dit gebouw van het rijk.” Amos gaf Amasja ten antwoord: “Ik ben geen profeet of lid van een profetengilde, ik ben veehoeder en vijgenkweker. Maar de Heer heeft mij achter mijn beesten weggehaald en het is de Heer die mij gezegd heeft: Trek als profeet naar mijn volk Israël. Daarom, luister naar het woord van de Heer. Gij zegt wel: Je mag tegen Israël niet profeteren, tegen het huis Israël niet schuimbekken. Maar de Heer zegt: Uw vrouw zal in deze stad ontucht plegen, uw zonen en dochters zullen omkomen door het zwaard, uw eigen grond zal met het meetsnoer verkaveld worden; zelf zult gij op onreine grond moeten sterven en Israël wordt van zijn eigen grond verbannen.”
  • Donderdag 30 Juni : Psalmen 19(18),8.9.10.11.
    De wet van de Heer is volmaakt: levenskracht voor de mens. De richtlijn van de Heer is betrouwbaar: wijsheid voor de eenvoudige. De bevelen van de Heer zijn eenduidig: vreugde voor het hart. Het gebod van de Heer is helder: licht voor de ogen. Het ontzag voor de Heer is zuiver, houdt stand, voor altijd. De voorschriften van de Heer zijn waarachtig, rechtvaardig, geheel en al. Ze zijn begeerlijker dan goud, dan fijn goud in overvloed, en zoeter dan honing, dan honing vers uit de raat.
  • Donderdag 30 Juni : Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 9,1-8.
    In die tijd ging Jezus in een boot, stak over en kwam in zijn stad. Men bracht een lamme die op een bed lag, naar Hem toe. Toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tot de lamme: 'Hebt goede moed, mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven.' Enkele schriftgeleerden zeiden nu bij zichzelf: 'Die man spreekt godslasterlijk.' Maar Jezus kende hun gedach­ten en zei: 'Waarom denkt gij kwaad bij uzelf? Wat is gemakkelijker, te zeggen: Uw zonden zijn u verge­ven: of: Sta op en loop? Welnu, opdat ge zult weten, dat de Mensenzoon macht heeft op aarde zonden te verge­ven ‑ en nu sprak Hij tot de lamme ‑: Sta op, neem uw bed en ga naar huis.' En hij stond op en ging naar huis. Toen de menigte dit zag, werd zij door ontzag bevangen en zij verheerlijkte God, die zulk een macht gegeven had aan mensen.
  • Donderdag 30 Juni : H. Cyrillus van Alexandrië
          De ongeneeslijke verlamde lag op zijn bed. Na gebruik te hebben gemaakt van alle mogelijke geneeskunst, kwam hij door de zijnen gedragen naar de enige ware geneesheer, de geneesheer die uit de hemel komt. Maar toen hij voor Hem geplaatst werd die hem kon genezen, was het zijn geloof dat de aandacht van de Heer trok. Om te tonen dat dit geloof de zonde vernietigt, verklaarde Jezus weldra: "Uw zonden zijn u vergeven". Men zal misschien zeggen: "Die man wilde van zijn ziekte genezen, waarom verkondigde Christus dan de vergeving van de zonden?" Dat was opdat je zou leren dat God het hart van de mens ziet, in stilte en zonder ophef schouwt Hij de wegen van alle levenden. De Schrift zegt immers: "De Heer ziet alle wegen die een mens bewandelt, al zijn stappen slaat Hij gade" (Spr 5,21). (...)       Toen Christus zei: "Uw zonden zijn u vergeven", liet Hij toch nog plaats voor het ongeloof; de vergiffenis van de zonden zie je niet met de ogen van het lichaam. Toen echter de verlamde opstond en liep, toonde hij duidelijk dat Christus de macht van God bezit. (...)       Wie bezitten deze macht? Hij alleen of wij ook? Wij ook, met Hem samen. Hij vergeeft zonden omdat Hij God-mens is, de Heer van de Wet. Wij hebben van Hem deze wonderbaarlijke genade ontvangen, want Hij wilde die macht aan de mens geven. Hij zei immers tegen de apostelen: "Ik verzeker jullie: al wat jullie op aarde ontbinden zal ook in de hemel ontbonden zijn" (Mt 18,18). En ook: "Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven" (Joh 20,23).
  • Woensdag 29 Juni : Uit de Handelingen der apostelen 12,1-11.
    In die dagen legde koning Herodes de hand op enkele leden van de Kerk om hen te mishandelen. Jakobus, de broer van Johannes, liet hij met het zwaard ter dood brengen. Omdat hij bemerkte dat dit de Joden aangenaam was, liet hij ook nog Petrus gevangen nemen. Het was juist in de dagen van het ongedesemde brood. Toen hij hem in handen had gekregen, wierp hij hem in de gevangenis en liet hem bewaken door vier groepen soldaten, elk van vier man. Het was zijn bedoeling Petrus na het paasfeest voor het volk te leiden. Terwijl Petrus in de gevangenis zat, werd door de Kerk vurig voor hem tot God gebeden. In de nacht voordat Herodes hem wilde laten voorleiden, lag Petrus met twee kettingen vastgebonden te slapen tussen twee soldaten, terwijl ook voor de poort van de gevangenis wacht werd gehouden. Opeens stond een engel des Heren bij hem en was de cel hel verlicht. Hij stootte Petrus in de zij, wekte hem en sprak: 'Sta vlug op.' Meteen vielen de kettingen van zijn handen. Vervolgens zei de engel: 'Doe uw gordel om en bind uw sandalen onder.' Petrus deed het. De engel hernam: 'Sla uw mantel om en volg mij.' Hij ging mee naar buiten zonder nog te beseffen dat het werkelijk­heid was wat de engel deed; hij meende een visioen te zien. Zij passeer­den de eerste en de tweede wacht en kwamen aan de ijzeren poort die toegang gaf tot de stad; deze ging vanzelf voor hen open. Zij traden naar buiten, liepen een straat ver en eensklaps was de engel verdwenen. Toen kwam Petrus tot zichzelf en zei: 'Nu weet ik zeker, dat de Heer zijn engel heeft gezonden en mij heeft ontrukt aan de macht van Herodes en alles wat het volk der Joden ver­wachtte.'
  • Woensdag 29 Juni : Psalmen 34(33),2-3.4-5.6-7.8-9.
    De Heer zal ik prijzen iedere dag, zijn lof ligt mij steeds op de lippen. Mijn geest is fier op de gunst van de Heer, laat elk die het hoort zich verheugen. Verheerlijkt de Heer te zamen met mij en laat ons eendrachtig zijn Naam vereren. Ik ging tot de Heer en Hij heeft mij verhoord, Hij heeft mij gered uit al wat ik vreesde. Verlaat u op Hem, dan wordt ge gelukkig, want Hij stelt u niet teleur. Die roepen in nood, naar hen luistert de Heer en redt hen uit hun ellende. De engel van God legt een schans om hen heen, om elk die God vreest te beschermen. Let op en bemerkt hoe genadig de Heer is, gelukkig is hij die zijn heil zoekt bij Hem.
  • Woensdag 29 Juni : Uit de 2e brief van de heilige apostel Paulus aan Timoteüs 4,6-8.17-18.
    Dierbare, wat mij betreft, mijn bloed wordt weldra geplengd, het uur van mijn heengaan is nabij. Ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop voleind, het geloof bewaard. Nu wacht mij de krans der gerechtigheid, waarmee de Heer, de rechtvaardige rechter, mij zal belonen op de grote dag, en niet alleen mij, maar allen die met liefde uitzien naar zijn komst. Maar de Heer heeft mij ter zijde gestaan en mij kracht gegeven om mijn ambt als prediker van het evangelie ten einde toe te vervullen, zodat alle volken ervan horen. En ik werd verlost uit de muil van de leeuw. En de Heer zal mij blijven beschermen tegen alle boze aanslagen en mij behouden overbrengen naar zijn hemels koninkrijk. Hem zij de heerlijkheid in de eeuwen der eeuwen! Amen.
  • Woensdag 29 Juni : Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 16,13-19.
    In die tijd toen Jezus in de streek van Caesarea van Filippus gekomen was, stelde Hij zijn leerlin­gen deze vraag: 'Wie is, volgens de opvatting van de mensen, de Mensen­zoon?' Zij antwoord­den: 'Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de profeten.' 'Maar gij', sprak Hij tot hen, 'wie zegt gij dat Ik ben?' Simon Petrus antwoordde: 'Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.' Jezus hernam: 'Zalig zijt gij Simon, zoon van Jona, want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard maar mijn Vader die in de hemel is. Op mijn beurt zeg ik u: Gij zijt Petrus; en op deze steen­rots zal Ik mijn Kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldi­gen. Ik zal u de sleutels geven van het Rijk der hemelen en wat gij zult binden op aarde, zal ook in de hemel gebonden zijn en wat gij zult ontbinden op aarde, zal ook in de hemel ontbonden zijn.'
  • Woensdag 29 Juni : H. Leo de Grote
          Je vreest niet om naar Rome te komen, heilige apostel Petrus! (...) Je vreest Rome niet, die meesteres van de wereld is, in het huis van Kajafas werd je door angst bevangen door een dienares van de hogepriester. De macht van de keizers Claudius en Nero waren die minder dan het oordeel van Pilatus of dan de woede van de leiders van de Joden? Het is de kracht van de liefde die in je alle reden tot vrees overwon; je dacht geen angst meer te moeten hebben voor hen voor wie je de missie hebt ontvangen om lief te hebben. Deze onverschrokken liefde die je al had ontvangen toen je de liefde voor de Heer beleed, werd versterkt door zijn driedubbele vraag (Joh 21,15v). (...) En je vertrouwen groeide door zoveel tekenen van wonderen, de gave van zoveel uitstraling, de ervaring van zoveel wonderbaarlijke werken! (...) Zonder dus te twijfelen over de vruchtbaarheid van de taak, noch de tijd van leven te ontkennen die je nog had, bracht je de trofee van het kruis van Jezus naar Rome, waar door een goddelijke voorbeschikking, tegelijkertijd de eer van de autoriteiten als de heerlijkheid van het martelaarschap op je wachtte.       In deze zelfde stad kwam Paulus aan, die met jou apostel was, instrument van het kruis (Hand 9,19) en onderrichtte de heidenen (1Tm 2,7) om in die periode met jou te zijn, waar reeds alle onschuld, alle vrijheid, en alle terughoudendheid onderdrukt werden door de macht van Nero. In zijn gekte heeft hij als eerste een vervolging en gruwelijkheden tegen de naam christen verordend, alsof de genade van God uitgeblust kon worden door de afslachting van de heiligen. (...) Maar “de dood van de heiligen is kostbaar in Gods ogen” (Ps 116,15). Geen enkele wreedheid kon de religie, die op het mysterie van het kruis van Christus gebaseerd is, vernietigen. De Kerk is niet kleiner geworden, maar heeft zich vergroot door de vervolgingen; het veld van de Heer bekleedt zich voortdurend met een rijkere oogst, als de graankorrels die in hun eentje vallen, vermenigvuldigd herboren worden (Joh 12,24). Wat een nakomelingschap hebben deze twee planten, die goddelijk gezaaid werden, gegeven, door zich te ontwikkelen! Duizenden heilige martelaren die deze overwinning van deze twee apostelen gevolgd hebben, hebben deze stad gekroond met een diadeem met ontelbare edelstenen.

Teksten zijn ontleend aan de website "Dagelijks Evangelie, www.dagelijksevangelie.org